Vertaling: G. De Visscher 
Oorsprong: Duitsland
Verschijningsdatum van de geldige originele standaard: 08.10.2012
Gebruik: Gezelschaps-, waak- en verdedigingshond
F.C.I.-indeling: Groep 2: Pinschers & Schnauzers - Molossers – Berghonden & Zwitserse Sennenhonden en andere rassen.
Sectie 2.1. : Molossers, dogachtigen
Zonder werkproef.

 

Kort historisch overzicht

De oude bullebijters en de "Hatz en Saurüden", die een kruising waren van de sterke mastiff van het Engelse type en een snelle wendbare windhond, worden als voorlopers van de huidige Duitse dog beschouwd. Onder de benaming dog verstond men aanvankelijk een grote sterke hond die niet tot een bepaald ras behoorde. Later verwezen namen als "Ulmer dog", "Engelse dog", "Deense dog", "Hatzrüde" (grote reu voor de lange jacht met windhonden), "Saupacker" (meutehond) en "grote dog" naar de verschillende types volgens de kleur en grootte.

In 1878 nam een commissie van 7 personen bestaande uit bevlogen fokkers en keurders, onder het voorzitterschap van Dr. Bodinus, het besluit deze variëteiten te groeperen onder de naam "Duitse dog". Zo werd de grondslag gelegd voor een nieuw hondenras van Duitse oorsprong.
In 1880 werd, ter gelegenheid van een tentoonstelling in Berlijn, de eerste standaard van de Duitse dog opgesteld.
Vanaf 1888 werd de standaard toevertrouwd aan de "Deutscher Doggen Club 1888 e.v." (Duitse Doggen Club geregistreerd in 1888). Deze standaard werd, in de loop der jaren, meermaals gewijzigd. De huidige standaard stemt overeen met het F.C.I.-model.

 

Algemene verschijning

De Duitse dog verenigt in zijn gehele edele verschijning trots, kracht en elegantie met een krachtige en solide lichaamsbouw. Door zijn substantie verbonden aan zijn adel, zijn harmonieus voorkomen, zijn goed geproportioneerde gestalte en zijn bijzonder expressief hoofd geeft hij zijn toeschouwer de indruk van een edel standbeeld. Hij is niet lomp, maar tegelijkertijd ook niet overdreven elegant. Het seksueel dimorfisme is duidelijk gemarkeerd. De Duitse dog is de Apollo onder de hondenrassen.

 

Belangrijke verhoudingen

Het lichaam vormt bijna een vierkant. Dit geldt in het bijzonder voor de reuen. De teven mogen iets langer zijn.

 

Gedrag / Karakter

Vriendelijk, liefdevol en aanhankelijk tegenover zijn baasjes. Hij kan terughoudend zijn tegenover vreemden. Hij behoort een zelfzekere, onverschrokken, volgzame en leergierige gezelschaps- en familiehond te zijn, die geen agressiviteit vertoont en een hoge prikkeldrempel heeft.

 

Hoofd

In harmonie met zijn gehele verschijning, lang gestrekt, smal, markant maar niet wigvormig, expressief, mooi gebeiteld (vooral het gedeelte onder de ogen). De afstand van de neuspunt tot de stop moet zoveel mogelijk overeenstemmen met de afstand tussen de stop en de achterhoofdskam, dat weinig ontwikkeld is. De bovenlijnen van schedel en neusrug moeten parallel lopen. In vooraanzicht moet het hoofd smal lijken met een zo breed mogelijke neusrug.

Schedelpartij

Schedel: De wenkbrauwbogen moeten goed ontwikkeld zijn, zonder vooruit te steken.
Stop: Duidelijk gemarkeerd.

Aangezicht:

Neus: Goed ontwikkeld, meer breed dan rond en met goed openstaande neusgaten. De neus moet zwart zijn, behalve bij de zwart-wit gevlekte doggen waarbij een zwarte neus gewenst is, maar een onvolledig gepigmenteerde of vleeskleurige neus toegestaan wordt. Bij de blauwe doggen is een antracietkleurige (verwaterd zwart) neus toegestaan.
Voorsnuit: Moet diep en zo rechthoekig mogelijk zijn. Hij mag noch spits, noch smal zijn of te ver overhangende lippen (fladderlippen) hebben. Duidelijk zichtbare liphoeken. Een donkere pigmentatie van de lippen. Bij de zwart-wit gevlekte doggen zijn onvolledig gepigmenteerde of vleeskleurige lippen toegestaan. De neusrug mag noch hol, noch bol zijn en niet aflopen naar de neus toe.
Kaak / Tanden: Goed ontwikkelde, brede kaken. Krachtig, gezond en volledig schaargebit (42 tanden volgens het gebitsschema). Het ontbreken van de P1's (premolaren 1) in de onderkaak is toegestaan. Iedere afwijking van een volledig schaargebit is volstrekt ongewenst.
Wangen: De jukspieren mogen slechts licht gemarkeerd zijn en in geen enkel geval vooruitsteken.
Ogen: Middelgroot, met levendige, intelligente en vriendelijke uitdrukking, zo donker mogelijk, amandelvormig, de oogleden nauw aansluitend tegen de oogbol. De ogen zijn noch wijd, noch spleetvormig. Lichte, priemende of ambergele ogen zijn ongewenst. Bij blauwe doggen worden iets lichtere ogen toegestaan. Bij zwart-wit gevlekte doggen zijn lichte of verschillend gekleurde ogen toegestaan. 
Oren: Van nature hangend, hoog aangezet, middelgroot, de voorste oorrand moet aansluiten tegen de wang. Noch te hoog of te laag aangezet, noch te vlak liggend of te ver afstaand van de wang.

 

Hals

Lang, droog en goed gespierd, noch kort noch dik. Vanaf zijn goed gevormde aanzet versmalt hij licht naar het hoofd toe, met een goed gebogen halslijn. Rechtop gedragen, lichtjes naar voren neigend. Geen hertenhals. Te veel losse keelhuid is ongewenst.

 

Lichaam

Schoft: Dit is het hoogste punt van het krachtige lichaam dat gevormd wordt door de schoudertoppen, die boven de doornuitsteeksels van de wervels uitkomen.
Rug: Korte en goed gestrekte rug, in bijna loodrechte lijn, licht naar achter aflopend. In geen enkel geval een te lange rug of naar achter oplopende ruglijn.
Lendenen: Licht gewelfd, breed en sterk gespierd.
Croupe: Breed, sterk gespierd, van het kruisbeen tot de staartaanzet licht aflopend en onmerkbaar overgaand in de staartaanzet. De croupe is noch vlak liggend, noch afvallend.
Borst: Reikend tot aan de ellebogen. Goed gewelfde en ver teruggaande ribben. Mooi brede borstkas met een uitgesproken voorborst zonder dat het borstbeen te ver uitsteekt. De ribben zijn noch vlak, noch tonvormig.
Buiklijn: Buik naar achter toe goed opgetrokken, een mooi opgetrokken lijn vormend in het verlengde van de onderkant van de borstkas. Een te weinig opgetrokken buiklijn en onvoldoende teruggetrokken melkklieren zijn ongewenst.

 

Staart

Reikt tot aan het spronggewricht. Noch te lang, noch te kort. Hoge en brede aanzet. De staart is noch te hoog, noch te laag aangezet en hij is niet te dik. Hij versmalt geleidelijk naar het uiteinde. In ruststand hangt hij op natuurlijke wijze naar beneden. In actie of bij opwinding kromt hij zich licht tot sabelvormig, zonder een haak te vormen of te krullen. Hij komt niet te veel boven de ruglijn uit en draait niet zijdelings af. Een borstelstaart is ongewenst.

 

Ledematen

Voorhand:

Algemeen aanzicht: Goed gehoekt; sterk beender- en spierstelsel. 
Schouder: Sterk gespierd. Lang en schuin liggend schouderblad dat met de opperarm een hoek van 100 tot 110 graden vormt.
Opperarm: Krachtig en gespierd, goed aansluitend op de borstkas; moet iets langer zijn dan het schouderblad.
Elleboog: Noch naar binnen noch naar buiten draaiend.
Onderarm: Krachtig, gespierd, zowel in voor- als in zijaanzicht perfect loodrecht.
Pols: Stevig, krachtig, zich slechts in geringe mate van de onderarm onderscheidend.
Middenvoorvoet: Krachtig, van voren gezien loodrecht, van opzij gezien slechts lichtjes naar voren neigend.
Voorvoeten: Rond, hoog opgetrokken en gesloten tenen (kattenvoeten). Korte, sterke, zo donker mogelijke nagels. 

Achterhand:

Algemeen aanzicht: Het gehele beendergestel is bedekt met sterke spieren die de croupe, de heupen en de dijbenen breed en rond doen lijken. Van achter gezien staat de robuuste en goed gehoekte achterhand in één lijn met de voorhand.
Dijbeen: Lang, breed en sterk gespierd.
Knie: Sterk, bijna loodrecht onder het heupgewricht geplaatst.
Onderbeen: Lang, ongeveer dezelfde lengte als het dijbeen, goed gespierd.
Spronggewricht: Sterk, krachtig, noch naar binnen noch naar buiten gericht.
Middenachtervoet: Kort, krachtig, bijna loodrecht op de grond staand.
Achtervoeten: Rond, hoog opgetrokken en gesloten tenen (kattenvoeten). Korte, sterke en zo donker mogelijke nagels.

 

Gangwerk

Harmonieus, soepel, goed uitgrijpend, licht verend; in voor- en achteraanzicht bewegen de voor- en achterhand zich parallel ter hoogte van de mediaanlijn van het lichaam. Noch een te weinig uitgrijpend gangwerk, noch telgang.

 

Huid

Nauw aansluitend. Bij éénkleurige doggen goed gepigmenteerd. Bij de zwart-wit gevlekte doggen komt de pigmentverdeling hoofdzakelijk overeen met de vlekkenverdeling.

 

Vacht

Beharing: Zeer kort en dicht, steil en plat liggend, glanzend. Geen dof of stokhaar.
Kleur: De Duitse dog wordt gefokt in drie onafhankelijke kleurslagen: geel en gestroomd, zwart en gevlekt, en blauw.
Geel: De vacht gaat van licht tot donker goudgeel; een zwart masker is gewenst. Geen geelgrijs, blauw of bruinzwart. Geen witte aftekeningen.
Gestroomd: De grondkleur gaat van licht tot donker goudgeel met zwarte, duidelijk getekende en zo gelijkmatig mogelijk verdeelde strepen, die evenwijdig met de ribben lopen; deze strepen zijn niet verbleekt. Een zwart masker is gewenst. Geen witte aftekeningen.
Zwart-wit gevlekt: Zuiver witte grondkleur, liefst zonder doorslag van zwarte haren, waarbij lakzwarte vlekken met ongelijkmatige omtreklijn en van verschillende grootte, goed verdeeld zijn over de gehele lichaamsoppervlakte. Grijze, blauwe of bruinachtige vlekgedeelten evenals blauwgrijze spikkels zijn ongewenst. Er bestaan ook grijstijgers (zwarte vlekken op een overwegend grijze grondkleur), deze kleur is noch gewenst, noch uitgesloten. 
Zwart: Lakzwart, witte aftekeningen zijn toegestaan op de borst en de voeten. Tot deze kleurslag behoren ook de manteldoggen, waarbij de toonaangevende zwarte kleur het lichaam als een mantel bedekt en waarbij de voorsnuit, hals, borst, buik, ledematen en staartpunt wit kunnen zijn. Ook doggen waarbij de grondkleur van de vacht wit is met grote zwarte platen (Plattenhunde) behoren tot deze kleurslag. De kleuren geel, bruin en blauwzwart zijn een fout.
Blauw: De vacht is zuiver staalblauw. Witte aftekeningen op de borst en aan de voeten zijn toegestaan. De kleuren geel of zwartblauw zijn een fout.

 

Grootte

Schofthoogte:

Reuen: minimum 80 cm, een schofthoogte van 90cm zou niet mogen overschreden worden.
Teven: minimum 72 cm, een schofthoogte van 84 cm zou niet mogen overschreden worden.

 

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd, die bestraft zal worden afhankelijk van de ernst van de afwijking en de gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de hond. 

Hoofd: Te weinig gemarkeerde stop. 
Voorsnuit: Opgerolde lippen (de onderlip plaatst zich tussen de bovenste en onderste snijtanden).
Kaak / Tanden: Onregelmatige stand van de snijtanden, zonder een normale sluiting van het gebit te verhinderen. Te kleine tanden. Gedeeltelijk tanggebit.
Ogen: Uitpuilende of te diep in de oogholten geplaatste ogen.
Schouder: Losse of beladen schouders, te steil liggend schouderblad.
Elleboog: Losse ellebogen.
Onderarm: Gebogen, verdikking boven de pols.
Pols: Verdikt, te zwak of overkoot.
Achterhand: Te veel of te weinig hoeking. Nauwe, koehakkige of o-benige stand van de spronggewrichten.
Voeten: Vlak, gespreide tenen, te lang. Aanwezigheid van Hubertusklauwen.

 

Zware fouten

Gedrag / Karakter: Onzelfzeker, schuchter, nerveus.
Hoofd: Appelhoofd. Te sterk ontwikkelde wangspieren.
Ogen: Niet aangesloten oogleden. Te roodgekleurd oogbindvlies. 
Rug: Zadelrug. Karperrug.
Croupe: Te sterk afvallend.
Staart: Een kapotgeslagen staart, aan het staartuiteinde verdikte of gecoupeerde staart.
Gangwerk: Hond die voortdurend in telgang gaat.

 

Diskwalificerende fouten

Agressieve of angstige hond.
Elke hond die een fysische - of gedragsafwijking vertoont, zal gediskwalificeerd worden.

Karakter: Angstbijten, lage prikkeldrempel.
Neus: Pigmentloos. Gespleten neus.
Ogen: Entropion, ectropion; macroblepharon. Verschillend gekleurde ogen bij alle éénkleurige doggen. Waterblauwe ogen.
Kaak / tanden: Prognatisme van onder- of bovenkaak (onder- of bovenvoorbijter), gekruiste snijtanden, tanggebit, ontbrekende tanden, behalve de P1’s in de onderkaak.
Staart: Gebroken staart (misvormde wervels).

Kleur:

Gele en gestroomde doggen: Zilvergrijze of isabelkleuringe vacht, witte plek op het voorhoofd, witte halsring, witte voeten of witte "sokjes", witte staartpunt.
Zwart-wit gevlekte doggen: Witte doggen zonder enig spoor van zwart (albino’s), dove doggen. De zogenaamde porseleintijgers (deze hebben overwegend blauwe, grijze, gele of gestroomde vlekken).
Blauwe doggen: Witte vlek op voorhoofd, witte halsring, witte sokjes of witte staartpunt.
Grootte: Onder de minimumhoogte.

N.B.: Reuen moeten twee volledig ingedaalde en normaal ontwikkelde testikels hebben.

Enkel gezonde honden die in staat zijn de functies te volbrengen waarvoor ze geselecteerd zijn en waarvan de morfologie typisch is voor het ras, mogen gebruikt worden voor de fokkerij.

Sponsors